waarom

Schrijfoefening: Wanneer ik jouw profielfoto op Facebook zie

Ik zie je nieuwe profielfoto op Facebook. We zijn vrienden uit een ver verleden, toen jij en ik elkaar regelmatig zagen. Jij in een relatie, en ik ook. Raar misschien, maar op de een of andere manier had ik altijd een verwarrend gevoel bij je, toen. Een gevoel dat er niet mocht zijn. Omdat ik al een relatie had. Gevoelens die ik verstopte achter een lach, een façade die ik nodig had om mijn leven in de structuur te houden die ik daar had. Om mijn leventje in de comfortzone te houden. Wanneer ik terugdenk aan die tijd, en de gevoelens die ik toen had voor jou weer voel door ze op te roepen, is het duidelijker voor me. Ik beschouwde het voelen als gemengde concurrerende gevoelens, waarin keuzes gemaakt moesten worden; het een of het ander. Echte liefde kan maar één betreffen, dacht ik.

Hoe leren we dat? Mijn dochter vertelde me toen ze vijf was dat ze verliefd op mij was; en omdat ze dat meestal aan mijn vrouw verteld voelde ik me euforisch. Het zou heel gemakkelijk zijn geweest om in dat moment te blijven hangen en te genieten van de bevestiging die haar ‘biecht’ mij gaf. En ze vertelde verder: “Ik ben verliefd op iedereen uit mijn familie, en op mijn beste vriendin.”, en besefte me dat mijn dochter nog veel te leren heeft. En het tolde door mijn gedachten: “Wat heeft ze precies te leren dan..?”. Mijn dochter ging verder: “Maar mijn vriendin zegt dat ik niet op haar verliefd kan zijn, omdat wij allebei meisjes zijn.”. En ik besefte me, hoe wij in een keurslijf worden geduwd door culturele opvattingen. Je kan maar op 1 ander verliefd zijn. Wat een schoolvoorbeeld van een vooronderstelling, hoe fragiel en subtiel worden wij in het keurslijf van ‘hoe hoort het’ geïnstrueerd.

Dit moment bleef hangen en ik ontdekte dat wat mij geleerd is, wat ik voor vanzelfsprekend aannam, logisch leek, maar niet klopte met mijn gevoelens. Het zijn niet concurrerende of conflicterende gevoelens die ik voor jou, en jou, en jou heb, ze bestaan naast elkaar. Ze bijten elkaar enkel wanneer ik ze projecteer op hoe het zou zijn als… Ze zijn ook niet hetzelfde, soms zijn de gevoelens voor de een sterker dan de andere, soms gaan ze dieper. Centraal concept in deze gevoelens lijkt de vrijheid te staan, om in volledig contact te mogen treden. En ik merk dat ik dat bij veel mensen ervaar, en dat een contact het gevoel om verder te gaan, om meer te voelen, versterkt. En ik merk dat ik goed opgevoed ben, dat ik die gevoelens verstop. Om af en toe, wanneer ik alleen ben, te fantaseren, te visualiseren, hoe het zou zijn om vrijheid samen te ervaren en ons daar comfortabel bij te voelen.

Ik vraag me af, waar ik heb geleerd om mijn gevoelens te focussen op een persoon. Ik vraag me af hoe ik heb geleerd om concepten als relaties en trouwen boven mijn gevoel te stellen. Ik vraag me af hoe het komt dat ik door deze lessen verder van mijn gevoelens afkwam, en waarom ik mij heb laten verleiden tot het verstoppen van mijn diepste, echte gevoelens, achter façades van beleefd gedrag. Beleefd gedrag dat soms afstandelijk en cynisch werd, om de afstand maar te bewaren; de afstand niet naar jou, maar naar mijn eigen gevoelens. Omdat mij verteld was dat er maar 1 ware was en kon zijn. En omdat ik dat was gaan geloven, doordat iedereen zich vrijwillig in dat keurslijf liet persen.

Mooie rituelen die waarmee we communiceren aan de buitenkant alsof er een iemand speciaal is, kan zijn, voor het hele leven. Maar een leven duurt heel lang. En ik merk dat gevoelens van liefde meer smaken kent, die naast elkaar kunnen bestaan. Ik voel soms een meer kortdurende liefde die je verliefdheid zou kunnen noemen, en soms een meer langdurige liefde wat je houden van zou kunnen noemen. En die gevoelens kunnen naast elkaar, tegelijk worden gevoeld voor een persoon, of meerdere personen. Ik heb meer liefde dan enkel 1 persoon naar zich toe kan trekken.

Romantische liefde, niet-romantische liefde, behoefte aan interpersoonlijk contact, aan vrijheid, lust. Schakeringen die niet strijdig zijn, en waar ik me aan mag overgeven. Hoe kunnen gevoelens slecht zijn? Ik ben goed zoals ik ben, en ik mag voelen wat ik voel. Ontdekken dat het geen strijdige gevoelens zijn, dat ze naast elkaar mogen bestaan, dat ze aanvullend zijn op elkaar in de kwaliteit van leven, is wellicht de grootste horde die ik in mijn overtuigingenstructuur tot nu toe heb genomen.

Mijn mooiste herinneringen zijn dan ook die momenten waar ik in alle vrijheid echt contact ervaar. Waar ik mag zijn wie ik ben, hoe ik ben, en waar als een soort check dat het werkelijkheid is iets gebeurt wat eigenlijk niet zou mogen. Een mooie zomerdag met een vriendin in een park waar ik haar zie zitten in de zon en waar ik voel hoe prachtig ze is zoals ze is, en waar we dieper in elkaars ogen kijken dan mag passen, allebei weten dat het goed is, dat de vrijheid er is om te genieten van dit moment. Momenten van 5 seconden die eindeloos lijken, en die maar zelden voorkomen. Momenten die je de kracht geven om verder in het keurslijf te gaan. Om later, wanneer het contact weer is verbroken, weggestopt te worden achter de façade, terwijl ik het uit zou willen schreeuwen, terwijl ik meer contact wil, terwijl ik meer samen wil, langer contact, gloeiend verlangen naar intimiteit. Ik wil je op een voetstuk zetten, ik wil je aanbidden, daar in het moment, en ik wil dat ik je mag aanbidden en dat je mij ook aanbidt. In alle veiligheid, in vertrouwen, in vrijheid waar niets moet en alles mag en alles goed is. Leven in het moment. Waar jij jezelf mag zijn, waar jij je mag laten zien, waar het contact draait om elkaar in de ziel te mogen kijken en niet om het fysieke. Het fysieke is maar een middel, een bewijs aan de buitenkant van het werkelijke aan de binnenkant.

Houden van hangt voor mij samen met mijn egoïstische motivatie om mezelf te mogen geven en te laten zien. Hoe veel ik verlang is afhankelijk van de grootte van de wens om tot intiem contact te komen, intiem emotioneel niet fysiek. Hoe groter het taboe om intiem te zijn, hoe sterker het verlangen. Bij golven, alsof je aan het strand de ene golf het strand ziet opkomen en het zand rond je voeten voelt wegspoelen; je tot wankelen brengt, om vervolgens een nieuwe golf te voelen spoelen. Fysieke ervaringen van binnen; gevoelens van warmte die pulseren tussen keel en onderbuik, die langzaam stuiteren in mijn middenrif, die wanneer ik mijn aandacht er op richt sterker worden door meer warmte te ervaren, en zich vervolgens als warme gloed verder verspreiden door mijn bovenlijf. De brok in de keel heb ik geleerd naar beneden te verplaatsen, beneden waar het goed voelt. En het mogen voelen van deze warmte, het mogen zwelgen daarin, het mogen toelaten daarvan. Niet blokkeren, maar erin duiken, er in opgaan, een mooi plaatsje geven. Een stapje verder nemen dan we tot nu toe hebben gedaan, iets meer laten zien van mijn gevoelens is voor mij een heel eenvoudige manier om een diep intieme ervaring te hebben.

Zwarte piet

Mijn kinderen willen gewoon een leuk feest van Sinterklaas.

Zwarte Piet is daar geen wezenlijk onderdeel van, behoudens de rol die zij hebben in de verklaring van hoe de cadeaus ineens verschijnen. Sterker nog, als een Zwarte Piet ineens de persoonlijke ruimte van mijn kleinsten betreedt ben ik lang bezig om het stressniveau bij mijn kind te verlagen, om het huilen te stoppen. Dat lijkt me niet een ingrediënt van een leuk feest.

Ik hoor niemand klagen over het verdwijnen van de oude kachel en de roetpijp, en over hoe de CV installatie het feest van Sinterklaas verpest. Hoe verschijnen nu de cadeautjes? Wat doen we nu met schoenen zetten?

En, waar is de klaagzang over het verdwijnen van de roe, symbolisch voor de rol van boeman die Zwarte Piet in de 19e eeuw heeft gekregen? Ergens zit die rol er nog steeds in, die rol van boeman, als ik de reactie van mijn jongsten zie.

En daarvoor, waar was de klaagzang midden in de 19e eeuw toen de hulp van Sinterklaas (gekleed en gemaskerd als harlekijn, een clown, een grappenmaker) ineens “Pieter me knecht” werd en toen de rol van boeman inclusief roe kreeg?

Waarom maken we deze hele discussie zo belangrijk, terwijl het een bijzaak voor een leuk feest is?

Kunnen we Sinterklaas de cadeaus gewoon via PostNL laten bezorgen?
Kunnen we de postbode de nieuwe harlekijn laten zijn?

En gaat nu weer over naar de orde van de dag.

Lezen is saai en niet leuk

“Lezen is stom. Het is saai en niet leuk.” zei ze, nadat de RT weer een hele tijd bezig was geweest om allerlei woordjes en zinnetjes te spellen. Formele dyslexieverklaring op zak. Letter voor letter in de hoop dat dit proces geautomatiseerd wordt, en steeds sneller kan worden uitgevoerd.

Sukkels. De beste manier om een kind te demotiveren is om dwingend te blijven herhalen wat niet leuk is. Niet zien dat lezen iets anders is dan spellen.

Wat maakt lezen saai, oerstom of niet leuk? Waarom zijn er mensen die het heerlijk vinden om met een boek in de hand de avond door te komen, en dan nog zeggen dat ze het leuk vinden om te doen?

Dat gaat niet over dat ze spellen zo leuk vinden. Of dat het aangenaam is om je ogen van links naar rechts te bewegen, van boven naar onder, om letters te vertalen naar woorden naar regels naar zinnen naar alinea’s naar bladzijden. Het gaat om het verhaal.

Dus kreeg onze gecertificeerde dyslect het veel te moeilijke boek Mathilda, geschreven door Roald Dahl, van mij. Binnen een week had ze het boek uit. Ineens zocht ze zelf een stil plekje op om met het boek in de hand te gaan zitten lezen.

En ze ging verder. Ze ging op zoek naar leuke verhalen. Ze las alles wat los en vast zat. En in twee jaar haalde ze anderhalf jaar achterstand in, en daar voorbij. Haar technisch lezen ging van een Onvoldoende naar een Goed.

False-positive in de dyslexietest blijkt enkel gedemotiveerd te zijn omdat lezen niet gaat om wat je technisch gezien doet bij lezen; het gaat bij lezen om het verhaal.

Een hond of een puppy

Wanneer je interesse groeit, en het verlangen om een hond te nemen uitmondt in het besluit om dit huisdier te gaan verzorgen dan is misschien de eerste keuze of je een hond of een puppy neemt.

Een puppy is net als een klein kind. Niet alleen moet hij alles nog leren, ook qua gedrag en afhankelijkheid is een puppy volledig op jou aangewezen. Een hond daarentegen is vanaf een jaar of twee veel zelfstandiger, en veel makkelijker in de omgang omdat hij al is afgericht en dus makkelijker in het gedrag te sturen.

Het is goed om te weten waarom je eigenlijk een hond of puppy wilt. Wanneer je bijvoorbeeld lekker wilt wandelen dan is het goed om te weten dat een puppy gedurende het eerste levensjaar niet te veel mag wandelen. Een puppy groeit heel snel. Als vuistregel mag een puppy, om groeiproblemen te voorkomen, in het eerste levensjaar niet meer lopen dan het aantal minuten dat de hond in weken oud is. Dus wanneer je wil wandelen kan je wellicht beter een hond kiezen.Dus ga eens na bij jezelf welke leuke dingen je met de hond wilt gaan doen, en of je die dingen die jij zo graag wil doen beter met een hond of een puppy kan doen.

Het opvoeden van een hond in de eerste twee jaar van zijn leven vergt een behoorlijke inspanning. Zonder goede discipline, en dan bedoel ik zelfdiscipline van de baas, wordt het een lastig proces. Wanneer je de puppy bijvoorbeeld wilt leren om bij je te komen wanneer je “hier” als commando gebruikt dan zijn er allerlei manieren waarop het mis kan gaan. Wanneer je niet consequent bent leer je de hond dat er kennelijk momenten zijn waarop hij of zij niet aan het commando hoeft te voldoen. Wanneer het woord “hier” niet op een voldoende specifieke manier presenteert, is het voor de hond lastig om te onderscheiden op welk moment je een commando geeft en op welk moment je in een normale conversatie het woord “hier” gebruikt zonder dat je een verwachting van de hond. En aangezien spraak lastig is voor honden om te verstaan treedt deze verwarring op bij alle woorden die lijken op “hier”, waarbij de klinker het meest duidelijk is voor de hond. Voor een hond klinkt hier hetzelfde als dier, vier enzovoort. Consequent zijn betekent dus niet alleen dat je telkens hetzelfde moet reageren in de interactie met het dier; het is meer dan dat. Het is een proces van heel bewust voorspelbaar gedrag presenteren aan de hond zodat je het mogelijk maakt voor het dier om jou te begrijpen.

Consequent betekent ook dat je halverwege niet ineens je verwachtingen kan bijstellen. Het is heerlijk om met een puppy op de bank te zitten, lekker op schoot, maar de hond leert daarmee dat hij op de bank mag zitten. En later als het dier groot is dan is er in zijn beeld niets veranderd behalve dat hij niet meer op de bank mag zitten, wanneer je minder prettig gaat vinden. De hond raakt in verwarring, en wordt beperkt in zijn vrijheid en zal dat opvatten als straf, als verlaging van zijn positie in de roedel. Het loont om vooraf na te denken over wat je de hond wel en niet toestaat wanneer hij volwassen is zodat je gelijk vanaf het begin consequent je verwachtingen helder hebt.

Anders dan…

Er komt een tijd dat je ineens stilstaat bij het feit dat je nog een half leven voor je hebt. Dat je stilstaat bij wat je gedaan hebt, en waarom je dat toen hebt gedaan. Twijfel over toen gemaakte keuzes, keuzes die je met de kennis van nu misschien anders zo hebben gedaan. Werk, privé, familie en vrienden, allerlei aspecten, die verschillend lijken maar bovenaan samenkomen, in jezelf, en hoe jij de wereld ervaart en beschouwd. De midlife crisis voorbij, waar het ging om de vraag of dit nu alles is in het leven, ofwel een nieuwe zingeving nu de oude waarden hun waarde verloren. Elke paar jaar weer herijken. Mogelijkheden verdwijnen door de focus op jeugd en vitaliteit. Waarom beschouwen we eigenlijk jeugdigheid als het hoogst bereikbare? Het is niet iets waar je aan kan werken om het te verdienen, het is iets wat je overkomt, en zonder dat je het beseft weer voorbij gaat. Jeugdigheid is iets uiterlijks; van binnen blijf je dezelfde persoon, alleen met meer ervaring. Ervaringen. Hoe ouder je wordt, hoe lastiger het is je voor te stellen wat je leeftijd betekent. Ik voel me jonger dan het aantal malen dat de aarde om de zon heeft gedraaid tijdens mijn leven. Een raar, ongrijpbaar concept, leeftijd. En hoe we dat beschouwen in onze cultuur. Jeugdigheid als ultieme schoonheid, schoonheid aan de buitenkant, de rimpels van het leven aanzien als iets dat vermeden moet worden. En nu, halverwege het besef dat vanaf nu het leven gerimpeld zal zijn, tijd voor nieuwe keuzes, nieuwe belangrijkheden. Hoe gaan we vorm geven aan de komende jaren? Wat wil ik dat er belangrijk is? Steeds verder schuift de prioritering naar iets wat van binnenuit komt, en steeds minder belangrijk wordt wat anderen er van vinden. En wat kan ik nog? Wat kan ik nog leren? Wat wil ik nog? Wat kan ik volhouden? Ik heb nog keuzes zat, al zijn keuzes als een olympische medaille geweest. Als vanzelf, is die ruimte en mogelijkheid aan me voorbij gegaan.

Wat is management en managen?

Er zijn allerlei definities te vinden over wat management is, en wat managen is. Definities vanuit een bepaalde invalshoek, zoals Wikipedia de volgende gebruikt: “Management is het besturen van een onderneming of organisatie.”. Dat soort beperkte definities kunnen je afleiden van het brede begrip dat managen inhoudt. Ik wil daarom graag even naar de basis gaan, en van daar opbouwen.

Managen is een werkwoord. Het komt uit het Engels, van ‘to manage’.

Management is een zelfstandig naamwoord, een verzamelbegrip om alles wat in het kader van ‘managen’ aan te duiden. Wat dat precies inhoudt is afhankelijk van de definitie en inrichting van het werkwoord ‘managen’.

Manager is een aanduiding van de persoon die het ‘managen’ uitvoert of leidt. Ook hier is er weer een afhankelijkheid van de betekenis van het werkwoord ‘managen’.

Managen is dus het werkwoord waar het om draait, ofwel de activiteit die wordt uitgevoerd. Management is een paraplubegrip om alles wat met de activiteit te maken heeft samen te vatten, en de manager is degene die de activiteit uitvoert. Vergelijk het met voetballen (de activiteit), het voetbal (containerbegrip voor alles wat met de activiteit te maken heeft), en de voetballer (degene die de activiteit uitvoert).

Wat is managen dan? Als we het vertalen uit het Engels, dan krijg je een hele rits woorden die bij vertaling van het werkwoord ‘to manage’ de lading zouden moeten dekken: beheren, lukken, besturen, richten, huishouden, schaffen, rondkomen, toedienen, mennen, bestieren, administreren, dirigeren en tot slot: grip krijgen. Dat geeft al een aardig beeld van waar het werkwoord voor staat, al is het nogal vaag en breed.

Een andere manier om de betekenis te achterhalen van het werkwoord ‘to manage’ is om de definitie van het werkwoord ‘to manage’ in het Engels op te zoeken. Dus voor de vertaling:

  1. To bring about or succeed in accomplishing, sometimes despite difficulty or hardship
  2. To take care or take charge
  3. to dominate or influence (a person) by tact, flattery, or artifice
  4. to handle, direct, govern, or control in action or use
  5. to wield (a weapon, tool, etc.)
  6. to handle or train (a horse) in the exercises of the manège
  7. Archaic. to use sparingly or with judgment, as health or money; husband

Als je deze definities leest, dan zie je dat definitie vijf, zes en zeven zich beperken tot een specifiek gebruik van ‘manage’. Definitie twee, drie en vier zijn beschrijvende definities van manieren waarop de activiteit wordt uitgevoerd. Alleen definitie één omvat een doel, een richting, een reden, een motivatie, een beschrijving van WAT er gedaan wordt, in plaats van HOE er gedaan wordt. Managen is meer dan alleen doelloos “taking care or taking charge”, “dominating or influencing (a person) by tact, flattery, or artifice”, of “handling, directing, governing, or controlling in action or use”. “Taking charge” en dan de bietenbrug opgaan, dat is in mijn woordenboek wel managen, maar niet het schoolvoorbeeld van managen; ik zou het slecht managen noemen, omdat een fundamentele eigenschap van het managen (waarom doe je het) gemist wordt: het doel. Net zoals je het heen-en-weer bewegen van een poetslap schoonmaken zou kunnen noemen, als de poetslap meer viesmaakt dan schoonmaakt, dan doe je wellicht de handeling wel, maar je kan het niet met recht zeggen dat je schoonmaakt.

En daarmee kom ik tot de volgende vertaling voor de activiteit van ‘managen’:
Managen is het bezorgen van of slagen in prestaties, soms ondanks moeilijkheden of tegenslag of korter: Managen is het bezorgen van of slagen in prestaties omdat moeilijkheden en tegenslag net zoals eenhoorns en kabouters alleen maar een toevoeging zijn die van het wezenlijke doel, het behalen van prestaties, afleiden.

En ja, dat kan je doen door manieren als definitie twee, drie of vier in te zetten, maar waar het echt om gaat, de crux, dat wordt alleen in de eerste definitie goed weggezet: het gaat om dingen voor elkaar krijgen, doelen flexibel fiksen. Een belangrijke nuance die door Henry Mintzberg passend samengevat is in zijn boek: “Managers, not MBA’s”.

‘Management’ is dan het containerbegrip van alles wat te maken heeft met het bezorgen van of slagen in prestaties. De ‘manager’ is de persoon die ofwel slaagt in prestaties of de prestaties bezorgd.

Vanuit dat perspectief kan je management op alle vlakken (persoonlijk en professioneel) vervolgens verklaren. En je ziet hoe beperkt de Wikipedia definitie is, want een organisatie of onderneming naar de gallemiezen besturen past binnen de definitie, maar mist net de nuance van richting.

Loskomen in een communicatietraining

Spelend naar effectief communiceren
Een training waarin effectief communiceren centraal staat, waar je actieve deelneming wenst terwijl je tegelijk een veilige speelse sfeer neerzet zou je als volgt kunnen doen:

Introductie kader

Kort verhaaltje over wat communicatie is, de relatie tussen een doel en effectiviteit, en vier stappen van effectief communiceren. Flip-over voor het spieken met de vier regels.

Effectief communiceren, dus doelgericht communiceren, in vier stappen:

  • Bepaal je doel: wat wil je bereiken met je communicatie?
  • Ontwerp je boodschap.
  • Lever de boodschap congruent af.
  • Controleer je resultaat (en stuur bij richting doel indien nodig)

Doen!

Verzin situaties, gerelateerd aan de deelnemers, of gekke situaties, of aan standaard gesprekstechniek problemen als “Nee” zeggen of complimentjes geven. Vorm groepjes van twee of drie (bij drie kan eentje feedback geven en oefenen) en laat ze lekker aan de slag gaan. Een paar voorbeelden van casus vindt je hieronder.

  1. Een collega komt naast je bureau staan, en begint zomaar een praatje. Je hebt eigenlijk geen tijd, want je wilt op tijd thuis zijn, voor een leuk uitstapje.
  2. Een collega komt naast je bureau staan, en stort zijn hart uit. Je ziet dat deze collega het echt kwijt moet. Je hebt eigenlijk geen tijd, want je wilt op tijd thuis zijn, voor een leuk uitstapje. Deze is bedoeld om te laten zien dat wanneer het doel verandert, je communicatie verandert, als je effectief wilt zijn.
  3. A neemt iets wat A bij B ziet (haarkleur, bloes, t-shirt, een observatie), en geeft een complimentje. B ontvangt het complimentje.
  4. A zegt drie maal (congruent en gemeend) “Sorry” tegen B. Je kan een aanleiding toevoegen om het te vereenvoudigen, en zonder aanleiding kan bewustwording van non-verbaal en verbaal het doel zijn.
  5. B stelt telkens (vier keer) een willekeurige vraag aan A. A wijst af (“Nee zeggen”) om achtereenvolgens het volgende te bereiken (nadruk op het aspect van communicatie (Schults van Thun)):
    1. Behoudt van een goede relatie.
    2. Duidelijke inhoud.
    3. Flexibel, buiten de procedure die je normaal bent (op ongewone manier: schrijf het antwoord op A4, of ga op tafel of stoel staan voor je antwoord geeft of schreeuw (fluister) het antwoord)
    4. Een vrolijke emotie achterlatend bij de vraagsteller.
  6. B stelt willekeurige vragen aan A, met name “waarom“-vragen. A geeft wel een antwoord, maar niet op de vraag. Geef eventueel een extra tip mee: benoem gewoon iets wat je ziet. Bijvoorbeeld de vraag “Hoe ben je hier gekomen?” beantwoorden met “Achter jou staat een boom.”. Merk eens hoe automatisch het is om vragen te beantwoorden, met name waarom vragen. Als trainer/begeleider kan je extra lastige vragen maken door meta te gaan vragen: “Waarom geef je niet gewoon antwoord?”, “Waarom doe je zo?”. 

Suggestieve patronen

In NLP heeft het Milton model een centrale plaats. Een veelgebruikt concept is daarbij de suggestie.

Suggereren: het idee geven, opperen, voorstellen, insinueren, impliceren, aandragen, beweren, aan de hand doen, naar voren brengen, adviseren, aanbrengen, influisteren, betogen, betuigen, raden, claimen, pretenderen, staande houden, stellen, zeggen.

Stel vragen, vragen sturen. Maak ze onweerstaanbaar door je stem aan het einde omlaag te laten gaan, in plaats van omhoog zoals we normaal bij een vraag doen.  En misschien merk je nu al dat elke gedachte je kan doen beseffen dat je meer bewust wordt van wat je nieuwsgierig kan leren en willen ontdekken en ervaren.

Voorbeelden van suggestie

  1. Wellicht wel, misschien ook niet, zal jij {SUGGESTIE in actie komen}
  2. Ik vraag me af, zal jij {SUGGESTIE in actie komen}, of niet (of niet vermorzeld weerstand)
  3. Mensen kunnen, weet je, {SUGGESTIE in actie komen} (weet je effect: impliciete aannamen dat het algemeen bekend is)
  4. Mensen mogen, weet je, {SUGGESTIE in actie komen}
  5. Mensen zouden, weet je, {SUGGESTIE in actie komen} kunnen
  6. Mensen zouden, weet je, {SUGGESTIE in actie komen} mogen
  7. Sommige mensen {SUGGESTIE komen in actie} (effect: toehoorder controleert intern of deze een van sommigen is; geef dus iets om te controleren) 
  8. Soms kan je {SUGGESTIE in actie komen} (effect: toehoorder controleert intern of deze het nu kan; geef iets om te controleren) 
  9. Misschien heb je nog geen {SUGGESTIE drang om in actie te komen}, nu al (observatie door nu al als onvermijdelijk) 
  10. Iemand zou, weet je, {SUGGESTIE in actie komen} kunnen
  11. Wellicht wil je {SUGGESTIE in actie komen}, … NU
  12. Wellicht kan je {SUGGESTIE in actie komen}, … NU
  13. Iemand kan, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen}
  14. Iemand mag, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen}
  15. Iemand zou, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen} kunnen
  16. Iemand zou, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen} mogen
  17. Iedereen kan, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen}
  18. Iedereen mag, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen}
  19. Iedereen zou, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen} kunnen
  20. Iedereen zou, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen} mogen
  21. Een persoon kan, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen}
  22. Een persoon mag, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen}
  23. Een persoon zou, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen} kunnen
  24. Een persoon zou, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie komen} mogen
  25. Jij kan {SUGGESTIE in actie komen}
  26. Jij zou {SUGGESTIE in actie komen} kunnen
  27. Jij mag {SUGGESTIE in actie komen}
  28. Jij zou {SUGGESTIE in actie komen} mogen
  29. Een persoon mag {SUGGESTIE in actie komen} , omdat het goed is om {SUGGESTIE in actie te komen}
  30. Een persoon mag {SUGGESTIE in actie komen} , omdat jij zelf bepaalt wat jij doet.
  31. Zal jij {SUGGESTIE snel  in actie komen},of {SUGGESTIE normaal  in actie komen},of {SUGGESTIE langzaam in actie komen} (alle mogelijke keuzes: altijd volgen) 
  32. Ik zal je niet vertellen {SUGGESTIE om in actie te komen}, omdat je dat zelf kan ontdekken
  33. Ik zou je kunnen vertellen {SUGGESTIE om in actie te komen}, maar ik laat je dat liever zelf ontdekken
  34. Hoe zou het voelen wanneer jij {SUGGESTIE in actie komt} (dwingt tot voorstelling maken, ervaren) 
  35. Vroeg of laat {SUGGESTIE kom je in actie}
  36. Eens {SUGGESTIE kom je in actie}
  37. Uiteindelijk {SUGGESTIE kom je in actie}
  38. Probeer {SUGGESTIE in actie komen} tegen te gaan (impliciet: onmogelijk om het tegen te gaan) 
  39. Probeer {SUGGESTIE in actie komen} uit te stellen
  40. Je hebt misschien nog niet gemerkt {WAARHEID dat je gevoelens voelt} terwijl je {SUGGESTIE in actie komt}
  41. Kan jij echt lol hebben in {SUGGESTIE in actie komen}? (impliciet moet je wel) 
  42. Kan jij echt genieten van {SUGGESTIE in actie komen}?
  43. Je zou de sensaties kunnen ervaren {WAARHEID van de gevoelens die je voelt} terwijl je {SUGGESTIE in actie komt}
  44. Wat gebeurt er wanneer jij {SUGGESTIE in actie komt}? (moet je voorstellen) 
  45. Je hoeft niet {SUGGESTIE in actie te komen}
  46. Een ieder hoeft niet, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie te komen}
  47. Mensen hoeven niet, {NAAM}, {SUGGESTIE in actie te komen}
  48. Misschien weet jij niet wanneer {SUGGESTIE je in actie komt}
  49. Het is eenvoudig om {SUGGESTIE in actie te komen}, is het niet? (is het niet verzacht; 1e deel zal worden geprobeerd) 
  50. Iemand zou niet kunnen weten of {SUGGESTIE deze in actie komt}
  51. Iemand zou niet kunnen weten of het fijn is om {SUGGESTIE in actie te komen}
  52. Jij bent in staat om {SUGGESTIE in actie te komen}
  53. Een persoon is in staat om {SUGGESTIE in actie te komen}
  54. Iemand is in staat, {NAAM} om {SUGGESTIE in actie te komen}
  55. {WAARHEID Je hebt gevoelens}, {WAARHEID je hoort geluiden}, {WAARHEID je hebt gedachten} en {SUGGESTIE je komt in actie}, toch?
  56. Iemand vertelde mij eens “{SUGGESTIE Kom in actie!}”
  57. Iemand zei “{SUGGESTIE Kom in actie!}”
  58. Wanneer jij {SUGGESTIE in actie komt}, dan {voel je goede gevoelens; ben je er klaar voor} (persoon moet WANNEER deel doen om DAN deel te verifieren) 
  59. {SUGGESTIE Je komt in actie}….toch? (effect tag-vraag, zoals “… toch?”impliciet en automatisch eens zijn) 
  60. Vanuit alle goede redenen kan jij {SUGGESTIE in actie komen}
  61. Vanuit de vrijheid die jij hebt kan jij {SUGGESTIE in actie komen}
  62. Er is geen reden voor je om te denken aan alle redenen waarom je {SUGGESTIE in actie komen} wel zou kunnen/willen doen
  63. NIET {SUGGESTIE} ZIEN/HOREN/VOELEN/DOEN, best in combinatie met kunnen, mogen, zouden, hoeven, moeten, nodig zijn, bijvoorbeeld we moeten je niet in actie zien
  64. {WAARHEID Je hebt gevoelens} alsof {SUGGESTIE je in actie komt}
  65. Ik {WAARHEID of GELOOF of BEN OVERTUIGD} dat jij nooit zal overwegen {SUGGESTIE om in actie te komen}
  66. Door {WAARNEMING je blauwe ogen} zie je er uit alsof je {SUGGESTIE in actie komt}
  67. Door {WAARNEMING je blauwe ogen} lijkt het wel alsof je {SUGGESTIE in actie komt}
  68. Je ziet er uit alsof je nooit zal overwegen om {SUGGESTIE die actie} te doen
  69. Ik weet dat ik niet aardig hoef te zijn, om jou {SUGGESTIE in actie te laten komen}
  70. Omdat ik {OBSERVATIE je zie knikken}, weet ik dat jij er niet aan zal denken om {SUGGESTIE in actie te komen}
  71. Ik zie jou niet als iemand die er aan denkt, laat staan overweegt, om {SUGGESTIE in actie te komen}
  72. Ik zie jou niet als iemand die een beeld heeft bij de gedachte aan {SUGGESTIE in actie komen}
  73. Ik zie jou niet als iemand die zelfs maar een beeld kan vormen bij de gedachte aan {SUGGESTIE in actie komen}
  74. Ik zie jou niet als iemand die {SUGGESTIE in actie komt}
  75. Ik zie jou niet als iemand die gevoel krijgt bij de gedachte aan {SUGGESTIE in actie komen}
  76. Het voelt niet alsof jij zelfs maar zou overwegen {SUGGESTIE om in actie te komen}
  77. Zoals je daar nu zit lijkt het wel alsof je {SUGGESTIE in actie komt}
  78. Het is gemakkelijk {SUGGESTIE om in actie te komen}
  79. Je kunt opmerken {SUGGESTIE dat je in actie komt}
  80. Ik weet dat je {SUGGESTIE in actie komt}
  81. Je weet {WAARHEID dat je gevoelens hebt} en {SUGGESTIE dat je in actie komt}
  82. Terwijl {WAARHEID jij gevoelens voelt}, kun je {SUGGESTIE in actie komen}
  83. Wanneer {WAARHEID jij gevoelens voelt}, kun je {SUGGESTIE in actie komen}
  84. {OBSERVATIE Dat je met je hoofd knikt} zorgt er voor dat {SUGGESTIE in actie komt}
  85. Je vraagt je misschien af {SUGGESTIE wanneer je in actie komt}, en misschien ook niet
  86. Je vraagt je misschien af {SUGGESTIE wanneer je in actie komt}, maar ik denk het niet
  87. Je kan nieuwgierig zijn naar {SUGGESTIE in actie komen}
  88. Het is goed dat je {SUGGESTIE in actie komt}
  89. Het is niet belangrijk dat je {SUGGESTIE in actie komt}
  90. En nu kun je helemaal {SUGGESTIE in actie komen}
  91. Elke gedachte kan je helpen {SUGGESTIE om in actie te komen}
  92. Wil je gaan {OBSERVATIE staan/zitten/liggen} wanneer je {SUGGESTIE in actie komt}?
  93. Ik wil graag iets met je bespreken voordat {SUGGESTIE je in actie komt}
  94. Je vraagt je misschien af {KEUZE of je gevoel of je gedachten of je lichaam} het eerst {SUGGESTIE in actie komt}
  95. Ik weet niet of {KEUZE1 je gevoel} of {KEUZE2 je gedachten} {SUGGESTIE je tot actie laat komen}
  96. {SUGGESTIE Kom je in actie} voor of na {ACTIE/OBSERVATIE een kop koffie}?
  97. Besef je nu al dat {SUGGESTIE je in actie komt}?
  98. Wist je dat {SUGGESTIE je in actie komt}?
  99. Ben je nieuwsgierig naar {SUGGESTIE in actie komen}?
  100. Hoe gemakkelijk kan jij {SUGGESTIE in actie komen}?
  101. Je kunt {SUGGESTIE actief blijven} blijven
  102. Ben je nog steeds {SUGGESTIE in actie aan het komen}?
  103. Gelukkig hoef ik niet in detail te weten {SUGGESTIE hoe jij in actie komt}
  104. Je kunt beginnen {SUGGESTIE met in actie komen}
  105. Ik weet niet hoe snel {SUGGESTIE jij in actie komt}
  106. Ik zou graag willen weten hoe {SUGGESTIE jij in actie komt}
  107. Ik vraag me af wat je het liefste zou doen wanneer {SUGGESTIE je in actie komt}
  108. Het is niet de bedoeling dat je al te veel {SUGGESTIE in actie komt}
  109. Niet te veel plezier beleven aan {SUGGESTIE in actie komen}
  110. Weet je wat {SUGGESTIE in actie komen is}?
  111. Heb je gemerkt dat {SUGGESTIE je in actie komt}
  112. Het maakt niet uit wanneer je begint {SUGGESTIE met in actie komen}
  113. Ik {OBSERVEERBARE ACTIE beweeg mijn hoofd} om te zorgen dat {SUGGESTIE jij in actie komt}
  114. Onverklaarbaar, zonder reden, kan jij {SUGGESTIE in actie komen}
  115. {NEGATIE SUGGESTIE Je wilt misschien niet in actie komen}, laat staan dat je het werkelijk doet

Oefening: een inspirerende situatie om je passie te vinden

In deze oefening gaat A bij B een voorbeeldsituatie uitvragen, waarin door B passie werd ervaren. Wanneer B dan goed contact heeft met deze herinnering, stelt A de vragen over deze herinnering die de passie duidelijker maken.

Instructie

A Act:

  • Je mag de vragen exact voorlezen zoals ze er staan, of de zandbak ingaan. Lees met een rustige stem. Luister goed naar de LETTERLIJKE woorden die B tegen je zegt wanneer dat nodig is, herhaal ze ter controle door B en schrijf ze EXACT zo op (BACK TRACKEN). Maak rapport en verbinding, geef rust en ruimte.
  • Geef na het stellen van de vraag tijd en ruimte aan B om tot een antwoord te komen. Lees de BMIR’s. Spreek eventueel vooraf een teken af met B waarmee B kan aangeven dat het antwoord klaar is. Bij puntjes (…) kan je even rustig 1001, 1002, 1003 tellen, voordat je verder gaat.
  • Je schrijft in de manual van B, zodat B later zijn eigen antwoorden kan teruglezen.

B Be:

  • Geef je manual aan A zodat je jouw antwoorden later terug kan lezen.
  • Wees gewoon jezelf, luister naar de vragen, keer naar binnen en vind jouw beste antwoord, voor jezelf. Het is niet nodig om antwoord te geven op de vragen die A stelt, het mag wel: NLP is procesgericht. Wel is het handig dat je knikt (of ander teken) wanneer je voor jezelf het antwoord hebt, zodat A weet dat de volgende vraag gesteld kan worden.
  • Tijdens de oefening zal A bij vragen aangeven dat het antwoord wordt opgeschreven. Dat zijn de enige keren dat er wel antwoord verwacht wordt. Geef het woord dat goed voelt voor jou.

C See:

  • Leert van het kijken en horen.
  • Let op de exacte woorden van B.
  • Let op de BMIR’s van B die een indicatie geven dat B voldoende tijd en ruimte krijgt.

De uitvraag

A: Iedereen heeft wel eens een moment van passie… Een moment van inspiratie… Waarin je elk gevoel voor tijd kwijt was… waarin jij je heel erg prettig voelde… in werk… in hobby… in een relatie… waar dan ook… En uit al die mogelijke momenten… kan 1 herinnering te binnen schieten… die nu… bovenkomt… en die geschikt is voor… nu… Geef maar aan wanneer jij je moment hebt gekozen… [wacht op teken].

A: Wanneer je dat moment een specifieke naam zou geven, een beschrijving of een codewoord dat alleen jij begrijpt, wat zou die naam dan zijn? Wat kan ik voor jou opschrijven? [wacht op naam, herhaal deze naam ter controle, en schrijf deze letterlijk op]

Naam: …………………….

A: Wanneer je terug gaat naar dat moment [NAAM]… en voorstelt wat je toen zag… Waar was je…? Was daar nog iemand…? Hoe ziet het er daar uit…? Wat voor kleuren zie je…? Wat voor vormen zie je…? Ruik je iets…? Proef je iets…? Hoor je iets…? Welke gedachten heb je daar in dat specifieke moment [NAAM]…? Wat zeg je tegen jezelf…? Wat denk je over jezelf…? Wat denk je over de situatie…? Hoe zat of stond je toen…? Misschien wil je eens staan of zitten zoals je toen zat of stond…? [geef ruimte tot B eventueel zit of staat zoals B toen zat of stond, wacht op teken]

A: Wat voel je nu, fysiek…? Waar zit dat gevoel als je het kon vastpakken…? En welke vorm heeft dat gevoel…? Is dat gevoel warm of koud…? Is dat gevoel ritmisch of constant…? Is dat gevoel scherp of zacht…? [wacht op teken].

A: Wat doe je daar in dat moment [NAAM]? Wat is het dat je zo goed doet…? Hoe zou je dat noemen in een werkwoord…? Wat kan ik voor jou opschrijven…?

[wacht op werkwoord, herhaal dit werkwoord ter controle, en schrijf dit letterlijk op]

Werkwoord 1: …………………….

A: Is er meer wat je specifiek doet in dat moment [NAAM]? Kan ik nog iets voor jou opschrijven…?

[wacht op reactie, herhaal ter controle, en schrijf letterlijk op]

Werkwoord 2: …………………….

A: Ga eens voor jezelf na wat er zo belangrijk is aan dit moment [NAAM]…?

[wacht op teken. De volgende vraag gaat verder op dit laatste antwoord].

A: Waarom vind je dat belangrijk…?

[wacht op teken. De volgende vraag gaat verder op dit laatste antwoord]

A: Wat levert jou dat op…?

[wacht op teken. De volgende vraag gaat verder op dit laatste antwoord]

A: Waarom vind je dat belangrijk…?

[wacht op teken. De volgende vraag gaat verder op dit laatste antwoord]

A: Hoe zou je dat belang noemen in een zelfstandig naamwoord, wat voor naam zou je dat belang willen geven…? Wat kan ik voor je opschrijven?

[wacht op naam, herhaal deze naam ter controle, en schrijf dit letterlijk op]

Naam belang: …………………….

A: Is er iets belangrijker voor je dan [naam belang] …? Wat kan ik voor je opschrijven?

[wacht op reactie, herhaal deze reactie ter controle, en schrijf dit letterlijk op]

Reactie: …………………….

A: Dank je wel…

[Einde uitvraag; geef de manual terug, en wissel van rol]

Uitwerking van de uitvraag (individueel)

Neem je antwoorden hieronder over:

Werkwoord 1: …………………………………………

Eventueel werkwoord 2: …………………………………………

Naam belang: …………………………………………

Eventuele reactie: …………………………………………

Formuleer nu zinnen in de volgende structuren, lees ze hardop aan jezelf voor, luister goed naar jezelf, en doorvoel welke structuur jou het beste past:

  • [BELANG] [WERKWOORD 1] door [WERKWOORD 2]

  • [REACTIE] [WERKWOORD 1] door [WERKWOORD 2]

  • [BELANG] [WERKWOORD 2] door [WERKWOORD 1]

  • [REACTIE] [WERKWOORD 2] door [WERKWOORD 1]

  • [BELANG] [WERKWOORD 1]

  • [REACTIE] [WERKWOORD 1]

  • [BELANG] [WERKWOORD 2].

  • [REACTIE] [WERKWOORD 2].

Schrijf de beste structuur hieronder uit:

De kern is ……………………………………………………………………………………………

Voel je vrij om nog betere formuleringen buiten de aangegeven structuur te ontdekken,

en te gebruiken… Je kan ook naar de ontdekte woorden kijken, nu of later, en een symbool of teken laten ontstaan dat staat voor of past bij het gevoel, de houding, de woorden… En misschien kan je dat teken of symbool wel in een beeldje, sieraad, tekening of iets dergelijks vangen, en er dan voor zorgen dat je dat symbolische symbool vaak tegenkomt…

Doorleven hoe het dan kan zijn

In deze oefening gaat A begeleiden bij het door B doorleven van hoe het anders zou kunnen zijn bij het volgen van het verkregen antwoord.

Instructie

A Act:

  • Lees de tekst exact voor zoals deze er staat, met een rustige stem.
  • Gebruik de manual van B.
  • Geef na het voorlezen van de tekst tijd en ruimte aan B om te doorvoelen. Spreek vooraf een teken af waarmee B kan aangeven dat B klaar is.
  • Bij puntjes (…) kan je even rustig 1001, 1002, 1003 tellen, voordat je verder gaat.

B Be:

  • Geef je manual aan A zodat je jouw antwoord kan doorvoelen.
  • Wees gewoon jezelf, luister naar de tekst, keer naar binnen en voel wat je voelt en ervaar wat je ervaart, voor jezelf. Het is niet nodig om antwoorden te geven. Wel is het handig dat je knikt wanneer je voor jezelf klaar bent, zodat A weet dat de volgende stap genomen kan worden.

C See:

  • Vindt de BMIR’s waaraan je ziet dat B voldoende tijd en ruimte krijgt.
  • Zie wat er nog meer gebeurt.

De Niveau’s van Robert Dilts

A: neem de gekozen kern van B hieronder (letterlijk) over:

…………………………………………………………………………………………………………

A: Stel je voor… dat jouw belangrijkste doel in het leven…, de reden van jouw bestaan… (het/de) [kern] is…, en dat je daar gesteund in wordt door alles…, en het grote geheel…, Wie of wat ben je dan…? [wacht op teken].

A: Wat is er, gesteund door (het/de) [kern], dan belangrijk voor jou…? [wacht op teken. Je kan de wachttijd opvullen met: ”… voel wat je voelt…, ervaar wat je ervaart…]

A: Gesteund door (het/de) [kern] en wat er dan belangrijk is, wat geloof je dan…? [wacht op teken. Eventueel ”… voel wat je voelt…, ervaar wat je ervaart…]

A: Gesteund door (het/de) [kern] wat er dan belangrijk is, wat je dan gelooft, wat kan je dan…? [wacht op teken. Eventueel ”… voel wat je voelt…, ervaar wat je ervaart…]

A: Gesteund door (het/de) [kern], wat belangrijk is, wat je gelooft, wat je kan, wat doe je dan…? [wacht op teken. Eventueel ”… voel wat je voelt…, ervaar wat je ervaart…]

A: Hoe ziet het er dan uit…? [geef ruimte en rust. Eventueel “… voel wat je voelt…, ervaar wat je ervaart…, merk wat er verandert is…”]

A: Dank je wel…

[Einde oefening; geef de manual terug, en wissel van rol]

5 NLP fundamenten van excellentie

Vijf basisprincipes gelden wanneer je gaat voor excellentie.

1. Ken je doel

Mensen reageren het best wanneer zij weten wat zij WEL willen in plaats van wat zij niet willen. Wees je bewust van wat je wilt bereiken, oefenen, leren, ontdekken. Hoe wil jij je ontwikkelen? Weet wat je wilt, weet wat je niet wilt, ken jouw exacte doel. Be smart, use SMART.

Energy flows where attention goes.

2. Wees flexibel

De persoon met het meest flexibele gedrag, zal binnen een systeem het meeste resultaat boeken. Wanneer je niet het resultaat hebt gekregen dat je wilt, verander je gedrag, niet je doel. Wees bereid en flexibel om nieuwe dingen uit te proberen. Geef elkaar de ruimte, veiligheid, vertrouwen en respect.

Don’t limit your challenges, but challenge your limits.

3. Gebruik je zintuigen optimaal

Om je doelen beter te bereiken, zal je antwoord moeten kunnen geven op de vraag: “beweeg ik me in de richting van mijn doel, of ga ik er juist verder van weg?”. Meten door waarnemingen.

Leven is leren! Living is learning!

4. Onderneem NU actie

Dit is de kracht in jezelf. De vraag HOE mijn doel te bereiken is belangrijker dan de vraag waarom ik dat doel wil bereiken. Alles wat je nu doet hoeft straks niet meer. Zorg er voor dat wat je nu doet bijdraagt aan waar je straks wilt staan.

DOEN!

5. Werk in handelen en denken naar excellentie!

Handel vanuit een open, nieuwsgierige, constructieve en actieve houding. Werk vanuit een fysiologie en psychologie gericht op perfectie.

Make it special!

NLP als methode: modelleren

NLP modelleren

NLP modelleren

NLP is ontstaan vanuit het modelleren van excellentie, vaardigheden die tot het gewenste resultaat leiden. In de Practitioner ligt de focus op het leren kunnen toepassen van de technieken.

“NLP is een houding en een methode met in haar kielzog een serie aan technieken” – Richard Bandler.

Houding

  • Nieuwsgierigheid
  • Flexibiliteit: de bereidheid te experimenteren, iets nieuws en anders te proberen
  • Constructief bijdragend aan het doel

Methode: Modelleren

NLP gaat er van uit dat wat de ene mens aan gedrag of vaardigheden laat zien, door een ander mens (in minstens de helft van de tijd) ook kan worden eigen gemaakt. Verder vooronderstelt NLP dat de mensen op fysiek en mentaal niveau op dezelfde manier functioneren omdat ons neurologisch netwerk eenzelfde opbouw heeft.

Om een ander gedrag of vaardigheid aan te leren van een expert, dienen we te zoeken naar de VERSCHILLEN tussen de expert en mijzelf. Wat doet de expert anders? Wat is het verschil dat het verschil maakt? Dit proces heet modelleren.

Modelleer vaardigheden

  • Kalibreren: het vermogen om minimale non-verbale veranderingen waar te nemen.
  • Elicitatie: uitvragen volgens het META model
  • Chunking: Hiërarchie van ideeën. Het kiezen van abstractieniveau.
  • Sequencing: strategieën, herkennen van de volgorde waarin iemand stappen zet.

Wat modelleer je?

  • Fysiologie: de sleutel om snel de stemming te achterhalen d.m.v. de ademhaling en de lichaamshouding, mimiek etc. Rapport en matching.
  • Filters: metaprogramma’s, waarden en overtuigingen, de neurologische niveau’s. We letten op deze filters wanneer we willen weten WAAROM (interne motivatie) iemand doet wat hij doet (gedrag).
  • Strategie: een opeenvolging van interne representaties die leiden tot het bereiken van een resultaat. Oogpatronen, predikaten etc.

Binnen NLP is de benadering dus: Wat doen succesvolle mensen eigenlijk? We kunnen leren van de excellentie van anderen door ze na te apen, door de gedachten te hebben die zij hebben, de motivatie te hebben die zij hebben, te geloven wat zij geloven, te (leren) kunnen wat zij kunnen, te doen wat zij doen, de wereld zien zoals zij het zien. Het in kaart brengen van deze aspecten, dat is wat modelleren is. En wanneer je dat vastlegt in een overdraagbaar model dan heb je een NLP techniek, ofwel het antwoord op de vraag “HOE kan ik de excellentie die een ander heeft ook bereiken met de mogelijkheden die ik tot mijn beschikking heb?”.

Dus wanneer iets niet goed gaat, of je wilt iets anders doen dan je tot nu toe hebt gedaan, dan legt NLP de focus niet op wat er mis is en hoe dat verbeterd kan worden, maar NLP legt de focus op iets ergens waar het wel goed gaat, en kopieert dat. Je gaat leren van iemand (rolmodel) die goed is in wat jij wilt kunnen, door zijn interne proces te modelleren en dat na te doen.

Contact maken met een situatie

Wanneer je een situatie (en de stemming; de staat) wil laten (her-)beleven. Dit gebruik je bij het NLP coachen om een coachee naar een hulpbron te brengen, maar je kan het ook gewoon in de kroeg gebruiken om iemand een goed gevoel te geven in een koetjes-kalfjes gesprek, door te vragen naar een moment dat iemand heel enthousiast of gepassioneerd was, of te vragen naar het leukste dat vandaag of deze week gebeurd is, of op hobbies door te vragen (want waarom stopt iemand zijn vrije tijd in een hobby?).

1) Vraag een specifieke situatie te herinneren:

“Kies in je herinnering een specifieke situatie, die een voorbeeld is.”

Let op dat je echt het specifieke moment van de gewenste situatie krijgt, en niet een globale beleving; we zijn (uiteindelijk) op zoek naar de positieve emotie die bij het moment hoort.

Kalibreer op BMIR’s, en label de situatie (Ad): “Hoe zou je deze situatie willen noemen of welk codewoord wil je het geven?”.

2) Contact maken met de herinnering, visueel:

“Waar ben je?”

“Met wie ben je daar?”

“Wat zie je daar?”

Speel met de antwoorden, vraag door naar kleuren, vormen, groottes etc. Kalibreer op BMIR’s.

3) Visueel naar auditief, dieper contact maken:

“Wat hoor je daarbij?” of

“Wat hoor je daarbij, terwijl je … [beschrijf met sleutelwoorden uit visueel]”

Speel met de antwoorden, vraag door naar toonhoogtes, snelheid, ruis etc. Kalibreer op BMIR’s.

4) Auditief naar kinestetisch, contact maken met de stemming:

“Wat voel je daarbij?”

“Hoe voelt dat daar, toen?”

“Wat voelde je , terwijl je … [beschrijf met sleutelwoorden uit visueel en auditief]”

Kalibreer op BMIR’s. Gebruik ankers indien gewenst.

Oefenen met de NLP techniek door contact te maken met een leuke situatie

  • Bedenk/kies een invalshoek: hobby, leuke gebeurtenis, moment van enthousiasme, passie.
  • Visualiseer eerst voor jezelf hoe jij stap 1 t/m 4 doet, welke vragen je gaat stellen.
  • Bedenk altijd voordat je uitvraagt een goede break-state, zodat je die klaar hebt wanneer dat nodig is.

Voorbeeld:

  • Wat was het leukste dat je vandaag hebt meegemaakt?
  • Waar was dat?
  • Wat zag je toen?
  • Wat hoorde je daar toen?
  • En wat voelde je daar, toen?
  • Waar voelde je dat, precies?

Vragen stellen

Wat er ook gevraagd wordt, in je hoofd wordt er antwoord gegeven en komt er vanzelf een antwoord naar boven. Terwijl je gedachten een antwoord aan het vormen is, wordt er tegelijkertijd in de dieptestructuur verbindingen gemaakt met alle associaties die je kent, hebt ervaren, hebt gezien, hebt gehoord, hebt gevoeld. Het maakt niet uit of de vraag logisch of onlogisch is. Een antwoord komt er.

Vragen die je aan jezelf stelt, worden ook beantwoord. Wanneer je tegen jezelf zegt “Ik vind dit moeilijk” of “Ik vind dit lastig” maak je het “moeilijk zijn” nog sterker voor jezelf en daardoor wordt het alleen maar moeilijker om het wel te begrijpen of te snappen. Je hindert jezelf om te leren. Andersom werkt het ook, wanneer je zegt, “Ik vraag mij af hoe snel ik dit makkelijk ga vinden?” of “Ik vraag mij af hoe snel ik ontdek wat hier eenvoudig aan is?” Merk het verschil en ontdek hoe dit helpt. Het begint bij de overtuigende gedachten die het doen ondersteunen.

Voorbeeld vragen

Stel jezelf deze vragen, en merk hoe het antwoord als vanzelf komt:

  • Waarom groeien er appels op de maan?
  • Welke nieuwe dingen ga ik ontdekken?
  • Ik vraag mij af in hoeveel dingen ik beter en beter wordt?
  • Welke sensatie in mijn lijf voelt nu erg goed voor mij?
  • Hoe natuurlijk en makkelijk ga ik aandacht geven aan dat wat goed voelt?
  • In welke belangrijke zaken gaat NLP mij verder helpen?

Hoe gebruik je vragen welke anderen meer overtuigen?

Op dezelfde manier waarop je eigen gedachten stuurt, kun je de vragen gebruiken om andermans gedachten te sturen. Gedachten zijn makkelijk te programmeren middels vragen en leidt tot het maken van beslissingen binnen de mogelijkheden die er zijn gegeven.

Merk het verschil in de vraagstelling van de vragen en welk antwoord daar meest waarschijnlijk op volgt.

  • Wil je een grote of een kleine frisdrank? Vaak wordt de kleine gekozen.
  • Wil je een grote frisdrank? Vaak wordt de grote gekozen.
  • Realiseer je hoe spannend het gaat worden, wanneer je deze vakantie neemt?
  • Hoe snel kunnen we onze afspraak beëindigen?
  • In hoeveel verschillende manieren ga je van dit huis genieten?

Neuro-Linguïstisch Programmeren (NLP) leren

Neuro-Linguïstisch Programmeren (NLP) is een vaardigheid, die je op verschillende niveau’s kan leren. NLP leren past binnen persoonlijke ontwikkeling, doordat je een methode leert om te leren, te reflecteren, en doelgericht te veranderen. Telkens weer is er meer, mocht je dat willen. Hieronder beschrijf ik een soort stappenplan dat je kan gebruiken om kennis te maken met NLP, om vervolgens als het je bevalt een volgende stap te nemen om je vaardigheid te verbeteren.

  1. Verdiep je op globaal niveau in NLP. Vraag eens aan collega’s die een NLP opleiding hebben gevolgd wat het hun (professioneel en persoonlijk) heeft opgeleverd. Of ze het je zouden aanraden, en waarom dan. Kijk eens rond in je vriendenkring, wie heeft NLP gedaan en kan je meer vertellen? Zoek eens op internet naar aanbieders van opleidingen, en lees eens wat zij te vertellen hebben. Valt het je daarbij op dat iedereen een eigen verhaal heeft? Wat zijn de verschillen? Wat zijn de overeenkomsten? Kan jij je een globaal idee vormen van wat NLP biedt? Herken je de lijn in de verhalen van iets willen bereiken of iets bereikt hebben?
  2. Vraag jezelf eens af, wat jij zou willen bereiken? En als je tevreden bent, vraag je dan af wat er mogelijk zou kunnen zijn wanneer je iets meer van jezelf vraagt, de lat iets hoger zou leggen. Wanneer je daar een idee van hebt, of een globaal gevoel bij hebt dat er iets is, dan is het tijd om eens met dat idee als casus iets meer van NLP te proeven. Koop een boek! Een algemeen introductieboek in NLP is prima; wel een echt boek graag, niet een ‘gratis te downloaden handleiding NLP’ die bedoelt is voor marketing van een instituut. Een algemeen boek over NLP, zoals “NLP voor dummies” van Romilla Ready, “Je ongekende vermogens” van Anthony Robbins, of een ander NLP boek dat je eenvoudig kan vinden door bij Bol.com te zoeken op NLP (misschien tref je wel een boek aan dat meer in lijn ligt met je casus). Probeer geduld op te brengen terwijl je wacht op de bezorging, en wanneer je het binnen hebt dan bekijk je het boek eerst globaal met je de achterhoofd je casus, blader het een paar keer door en probeer wat casus-gerelateerde vragen te formuleren. Vervolgens lees je het boek door met telkens in je achterhoofd die casus. Hoe kan hetgeen daar geschreven in bijdragen aan jouw doel? Op die manier maak je het interactiever, en pak je de krenten uit de pap.
  3. Op zich ben je nu klaar met het leren van NLP. Bijvoorbeeld als je het boek “Je ongekende vermogens” van Anthony Robbins leest, leert en kent, dan is er eigenlijk niets meer dat je kan LEREN over NLP. Alle informatie en kennis die in een NLP Practitioner of een NLP Master Practitioner terugkomt staat in dit boek. Wat een opleiding of training nog toevoegt is de stap van KENNEN naar KUNNEN. Sommige dingen zijn vrij eenvoudig, zoals het SMART model, andere dingen spreken minder in woorden en kan je beter ervaren om het belang te voelen. Wil je meer, en overweeg je een training dan is een belangrijke stap om de juiste opleider te vinden. De juiste opleider voor jou. Om de juiste opleider voor jou te kunnen kiezen is het van belang om te weten wat de verschillen zijn tussen de opleidingen, zodat je kan bepalen of deze verschillen belangrijk zijn voor jou of niet. Maak eerst een lijst (Google op NLP Practitioner) met 20 opleiders. Ga naar de website, of bel eventueel, en let op de volgende zaken wanneer je een opleider kiest:
    1. Is er een kennismakingsavond of introductiecursus zodat je kan ‘voelen’ in hoeverre de trainer bij jou past, voordat je een grote stap als een NLP Practitioner doet? Sommige opleiders kiezen liever voor een één-op-één intakegesprek, maar dan mis je het gevoel van hoe de trainer is in een groep.
    2. Is de opleiding meer gericht op het actief ondergaan van de technieken teneinde persoonlijke groei te tijdens de opleiding te krijgen, of meer gericht op het leren toepassen van de technieken bij jezelf of anderen?
    3. Is de NLP Practitioner opleiding ook een NLP coach opleiding, of is de NLP coach een aparte opleiding?
    4. Alhoewel het niet een kleuterschool is die je uitzoekt, waarbij reistijd een belangrijke factor is, is het toch handig om  na te gaan hoe belangrijk het voor je is wat de locatie van de training is. Misschien heb je een voorkeur voor echte afzondering en een hotel, misschien wil je dichtbij en snel thuis. Let op dat het best heftige dagen zijn, dus dat je behoorlijk moe kan zijn aan het einde van een opleidingsdag.
    5. Is de opleiding gericht op een bepaalde context of doelgroep? NLP kan je op techniek niveau geven, waarbij er op een voorschrijvende manier wordt gedoceerd hoe je moet handelen, of op een hoger niveau waarbij het effect van de ideeën centraal staat. NLP kan gericht zijn op sportprestaties, op professionele prestaties, op gelukkig zijn, of is de opleiding gericht op het hogere, gericht op effecten. Het voordeel van een context-gebonden opleiding is dat deze een sterker leerrendement kan hebben, het nadeel is dat je daarna zelfstandig de transitie naar globale effecten, een verbreding in het denken naar algemeen proces moet maken. Voorbeeld: wanneer je een NLP opleiding doet die gericht is op sportprestaties, dan leer je hoe je NLP kan inzetten voor het behalen van de beste sportprestaties. Maar NLP is meer. NLP is ook andere contexten, afhankelijk van welk doel jij hebt. Met enkel deze opleiding gericht op sportprestaties leer je niet hoe je met NLP zo lui mogelijk kan zijn, bijvoorbeeld tijdens een vakantie. Mijn advies zou zijn om een opleider te kiezen die niet-normatief is, die niet voorschrijft. Een voordeel van deze manier van opleiden is namelijk dat je tijdens de opleiding ook gelijk leert hoe je context-gebonden NLP inzet, en dat je daar veel profijt van hebt.
    6. Hoe lang duurt de opleiding? De duur van NLP Practitioner opleidingen varieert. Korte trajecten van 7 dagen, lange trajecten van wel 22 dagen, en allerlei smaken daar tussenin. Het verschil in dagen komt terug in de diepte en de breedte. Trajecten van 7-11 dagen zijn vaak context-gebonden, gericht op snelle stappen en qua inhoud mager. Trajecten van 12-17 dagen hebben meestal een focus op de vaardigheid, en zijn algemener van opzet. Langere trajecten van 18-22 dagen zijn vaak gericht op vaardigheid en theorie. Wanneer je meer een denker bent die theorie en uitleg wilt, die wil snappen, dan kan je het beste voor een lange Practitioner kiezen, ben je meer een voeler of een doener dan kan je beter een traject van 12-17 dagen kiezen.
    7. Is er een kennistoets achteraf? Als je een denker bent dan kan het zijn dat dit je voorkeur heeft. Het feit dat er een kennistoets is betekent dat de opleider kennis belangrijk vindt, dus de kans is groot dat dat jij als denker beter tot je recht komt bij deze opleider.
    8. Is er een vaardigheidstoets achteraf? Of je nu een denker, doener of voeler bent, je doet de opleiding om vaardigheid te krijgen. Misschien dat er geen expliciete toets is, maar door deze vraag te stellen kan je wel inzicht krijgen in hoe belangrijk  het verwerven van vaardigheid is voor de opleider. Wanneer het enkel een aanwezigheidscertificaat zou zijn, dan neemt de opleider geen verantwoordelijkheid voor jouw leertraject, en is deze ongeschikt.
    9. Hoe is het traject zelf georganiseerd? Hoe zien de opleidingsdagen er uit? Hoe is de groepsgrootte? Welke investering (tijd en geld) wordt gevraagd? Praktische zaken. Let daarbij ook op de planning van de dagen, en de duur van de blokken.
      1. Alles wat boven de 6 uur netto (8 uur bruto) opleiding per dag  wordt gegeven raak je kwijt.
      2. Als er blokken zijn langer dan 2 dagen, dan stroom je over, en ben je het binnen een week weer kwijt (NLP Practitioners van 7 dagen aanéén zijn zonde geld!).
      3. Het is erg prettig als er tussen de blokken een stuk ruimte zit waarin je met de nieuw opgedane stof aan de slag kan in de praktijk, en dat je in het volgende blok daarop kan reflecteren (leertransfer).
      4. Het is erg prettig wanneer je na de opleidingsdagen een dag hebt om tot jezelf te komen, bijvoorbeeld een weekenddag of een vrije dag.
    10. Natuurlijk zijn er nog vele aspecten die meespelen die hier niet genoemd zijn. Zo zijn er opleiders die je aanbieden om het traject meerdere malen te volgen (en dat is een pré!) of om dagen te switchen of in te halen. Voel je vrij om deze aspecten mee te nemen, en te laten prevaleren! Wanneer jij je keuze hebt gemaakt, dan heb jij je keuze gemaakt.
  4. Nu je een overzicht hebt van opleiders en karakteristieken, kies er drie tot vijf (onthou dat aantal, dat gaat vaker terugkomen in je NLP opleiding) om daadwerkelijk kennis te maken. Ga naar een open dag of avond, bel ze op, stalk ze. Krijg gevoel bij de opleider, en stel zeker dat deze opleider ook daadwerkelijk jouw opleider gaat worden. Laat ze werken om jou te overtuigen. Leuke vragen waarmee je ze in het zweet kan krijgen:
    1. Er zijn verschillende stromingen in NLP heb ik ergens gelezen. Wat zijn de voordelen van deze stroming? En wat zijn de nadelen?
    2. Wat kan ik concreet na de NLP Practitioner? Wat heb ik er aan?
    3. Wat is NLP in 30 seconden samengevat? (McKinzie test: je snapt het pas wanneer je het in 30 seconden kan uitleggen).
  5. Na het bezoeken van de drie tot vijf opleiders, neem je even tijd voor jezelf. Laat je gevoel kristalliseren, en pas dan maak jij je keuze, waarbij je de optie NIET doen ook meeneemt.
  6. Doe eventueel de opleiding.
  7. Vervolgens ga je vanuit het huidige punt je kennis en vaardigheid versterken, verbreden en verdiepen
    • Je kan de NLP Master vervolgopleiding doen.
    • Je kan vervolgens een NLP Trainer opleiding doen. Mijn advies: doe dat bij één van de grote namen in NLP, een Tad James, Richard Bandler, John Grinder, Robert Dilts, etc. Zodat jij je kan verdiepen in zijn gedachten, zijn ideeën, zijn beeld. Modelleer hem, leer van zijn visie.
    • Lees boeken binnen de stroming die je hebt gevolgd voor verdieping van je begrip, kennis en vaardigheid.
    • Lees boeken buiten de stroming die je hebt gevolgd voor verbreding, nieuwe inzichten en een meer rijke niet-normatieve begripsvorming. Ontwikkel je eigen visie.
    • Lees boeken die ten grondslag liggen aan NLP, zoals boeken van Virginia Satir, Milton Erickson, Gregory Bates. Verdiep je in nieuwe grootheden.
    • Oefen, lees, blijf beoefenen! Pas het toe op nieuwe casus, blijf leren en veranderen.
    • Zoek mensen die gelijkgestemd zijn; zorg voor samen leren en ontwikkelen. Neem deel aan fora, schrijf zelf artikelen, coach regelmatig.

4 B’s van communicatieniveau’s

1. Bijdrage (komt voort uit)
2. Belang (komt voort uit)
3. Bedoeling (komt voort uit)
4. Behoefte

○ Bijdrage: wat wil je investeren (resources)
○ Belang: wat levert je dat dan op (resultaat)
○ Bedoeling: wat wil je er mee bereiken/voorkomen (doelstelling)
○ Behoefte: waarom is dat NU zo belangrijk voor je (probleemstelling/business case/redenen)

Iemand die in een project tegenwerkt (bijdrage), kan het belang hebben dat het project langer duurt (belang), en wil daarmee wellicht bereiken dat hij werk houdt (doelstelling), zodat hij zijn gezin kan onderhouden (behoefte).

Drivers in marketing

Wanneer je iets of jezelf gaat verkopen, weet dan dat het niet zo is dat jij iets verkoopt, maar dat de ander iets koopt. De ander is op zoek naar iets, bijvoorbeeld een oplossing voor een probleem wat deze ander als probleem ervaart. In plaats van te beschrijven wat jij allemaal kan, en hoe goed je bent, blijkt het beter te werken wanneer je beschrijft wat de koper te winnen heeft. De koper denkt: What is In It For Me (WIIFM)?

In marketing wordt hier veel aandacht aan besteed, en er zijn algemene WIIFM gevonden, waaruit je kan kiezen en die je kan gebruiken in je communicatie naar je klanten. De volgende vijf algemene drivers kunnen voor jouw toekomstige klant de overweging zijn om op zoek te gaan naar een leverancier, en jij kan je verhaal daarop aanpassen door je verhaal vanuit de bril van de driver te vertellen:

WIIFM (wat zoekt je klant):

  1. Ontwikkeling: jij, je dienst of je product draagt bij aan verdere ontwikkeling. Persoonlijk, professioneel, of op basis van methoden of richting doelstellingen. Bij persoonlijke ontwikkeling kan je hier ook de algemene intrinsieke waarden onder scharen. Intrinsieke waarden als vrijheid, zorg, rust, de algemene emoties die mensen nastreven.
  2. Geld: jij, je dienst of product zorgt voor een besparing, of biedt de mogelijkheid meer geld te verdienen.
  3. Gemak: jij, je dienst of product zorgt voor meer gemak en comfort, of voorkomt ‘gedoe’.
  4. Status: jij, je dienst of product geeft status, communiceert een mate van belangrijkheid naar anderen.
  5. Genot: jij, je product of dienst is puur voor genot, of levert meer genot.

Om je boodschap nog specifieker te maken kan je vervolgens een 2e keuze maken om een manier te vinden om je verhaal over jezelf, je product of dienst aan te prijzen. Je kan jouw boodschap voorzien van argumenten, redenen, aspecten, die je potentiële klant over de streep kunnen halen door een van de volgende vragen te stellen en te beantwoorden in je boodschap:

De invalshoek; manieren om de WIIFM-boodschap over te brengen:

  1. Hoe is dit vernieuwend, en gebaseerd op de laatste inzichten?
  2. Hoe is dit gewichtig, waarom is het heel belangrijk dat je de boot niet mist, hoe zijn wij de autoriteit?
  3. Hoe is dit uniek (bijna niemand heeft het)?
  4. Hoe is dit weggelegd voor enkel de elite, de besten, hoe exclusief is het?
  5. Wie of wat zou je kunnen zijn, weet je zeker dat je dit kan missen, haal je echt alles uit de mogelijkheden?
  6. Ben je tevreden met hoe het gaat? Is het tijd voor een volgende stap, tijd voor vooruitgang? Stilstand is achteruitgang…
  7. Jij weet toch zelf het beste wat goed voor je is (zelf-tevredenheid en zelf-sturing)?
  8. Jij wil er toch ook bijhoren (appelleren aan eenzaamheid, suggestie van samen geven. Erotische symbolen gebruiken valt hier ook onder)?
  9. Wie kan jou nog iets vertellen (in de zin van: jij bent zo goed, niemand kan jou meer iets leren)?
  10. Algemene waarden in het zelfbeeld waarop je kan appelleren (voor de creatieveling): de (on-)zekerheid, de mate van zelfrespect (belangrijk zijn of bewonderenswaardig), tevredenheid met jezelf, scheppingsdrang, machtsgevoel en seksuele kracht, onsterfelijkheid, verbondenheid, het ouderlijk huis en vroeger (melancholie).

Wanneer jij je keuze maakt, en je boodschap ontwerpt, dan betekent dit dat jij je markt verteld wie wel en wie niet interesse in jou krijgt. Mensen kiezen op basis van een unieke set van voorkeuren voor de een of voor de ander. Wat belangrijk is om vooraf te doen is dus duidelijk je doelgroep bepalen. Wie wil je wel en wie wil je niet? Vervolgens kan je dan een onderzoek in je doelgroep doen om te kijken welke boodschap het beste effect heeft voor je doelgroep. Het effect dat je wilt hebben kan zijn dat je leuke klanten wilt krijgen, zo veel mogelijk klanten wilt krijgen, of wat je maar verzint.

 

Weet wie je wilt, weet wat die willen, ontwerp je boodschap en communiceer effectief!

Schaakzet in vijf stappen

Ook schaken kan je modelleren met NLP. Een strategie die door modellatie is ontstaan deelt de partij op in een stappenplan per zet, in plaats van per partij. Elke schaakzet wordt gezien als een aparte schaakpartij. Hieronder het concrete stappenplan van de stategie:

Trigger: de klok wordt door de tegenstander ingedrukt.

  1. Beweeg fysiek. Door fysiek te bewegen maak je een korte breakstate voor jezelf om in je ‘schaakstaat’ te komen.
  2. Oriënteer jezelf. Bekijk de stelling door deze waar te nemen. Probeer de stelling te bevatten. Formuleer een algemeen idee over het vervolg van de partij. Krijg een algemeen beeld van deze (nieuwe) stelling.
  3. Exploreer de mogelijkheden en analyseer de variaties. Laat gewoon je gedachten gaan over de mogelijkheden.
    1. Visualiseer alle mogelijkheden.
    2. Begrijp dat je tegenstander een schaakgenie is, en dat hij een plan heeft. Zoek en begrijp zijn plan of je wordt in de pan gehakt. Begrijp de dreiging van de tegenstander.
    3. Weer even een korte breakstate: noteer hier bijvoorbeeld de zet van de tegenstander.
    4. Controleer je eigen veiligheid
      1. Is je koning veilig?
      2. Zijn je andere stukken veilig?
      3. Zoek naar mitigerende mogelijkheden
        1. Vermijdende zetten: breng een stuk in veiligheid
        2. Blokkerende zetten: zet er een ander stuk tussen
        3. Slaan: sla het aanvallende stuk
        4. Verdedig: verdedig het aangevallen stuk
        5. Dwing: bedreig het aanvallende stuk om afruilen te forceren
    5. Controleer de veiligheid van de tegenstander
      1. Zoek matmogelijkheden (koning veiligheid, slaan+mat etc.)
      2. Zoek mogelijkheden voor pinnen, vorken, röntgenaanval, aftrekaanvallen, dubbele aanvallen, slaan+hout, weg+hout, minderheid gedekt, netten, klein plan etc.
  4. Onderzoek de mogelijkheden, en besluit de beste zet. Aspecten die je in je keuze meeneemt zijn: speelruimte op het bord, materiaalverhouding, koningsveiligheid, ontwikkeling van de stukken en de pionnenstructuur. 6 basisplannen die je kan gebruiken zijn: 1) ontwikkel en activeer het slechtste stuk, 2) controleer het centrum, 3) verbeter de mobiliteit van de stukken, 4) voorkom rokeren van de tegenstander, 5) wissel pionnen uit en 6) behoudt de dame.
    1. Onderzoek en kies de beste zet om het plan van de opponent te saboteren.
    2. Onderzoek en kies de beste zet om je eigen plan uit te voeren, je eigen plan te ondersteunen.
  5. Test beide keuzes, en valideer je keuze.
    1. Zoek actief naar mogelijkheden waarom en hoe de zet bij 4.1 een slechte zet zou kunnen zijn. Dus stel jezelf de vraag: “Hoe kan mijn tegenstander hierop antwoorden, wat mis ik dat ik denk dat dit een goede zet is?”. Blijkt de zet minder goed dan gedacht, dan ga je terug naar stap 4.1 om een nieuwe en betere saboterende zet te bedenken.
    2. Zoek ook actief naar mogelijkheden waarom en hoe de zet bij 4.2 een slechte zet zou kunnen zijn. Blijkt de zet minder goed dan gedacht, dan ga je terug naar stap 4.2 om een nieuwe en betere ondersteunende zet te bedenken.
    3. Maak je keuze uit de 2 mogelijkheden die je hebt gevonden op persoonlijke voorkeur.
    4. Maak de zet op het bord.
    5. Bedien de klok.
    6. Noteer je zet.

 

  • Neem je tijd voor de stappen ook al ga je bijna door je tijd heen: of je nu verliest op tijd of door een slechte zet, verlies is verlies.
  • Geef jezelf rust terwijl de ander aan zet is; geef je gedachten de vrijheid om te gaan. Ga er van uit dat de ander nu een nieuwe stelling voor je maakt, en verlaag de spanningsboog tijdelijk om jezelf in staat te stellen je concentratie te focussen op de nieuwe stelling straks.

13 bestanddelen van een geplande verandering

Wanneer je een project uitvoert, een change wilt doorvoeren, een release bouwt, zelfs bij coaching, overal waar veranderingen worden doorgevoerd zijn er een aantal standaard bestandsdelen waar je bij stil kan staan, om tot het beste resultaat te komen. Bestandsdelen waar je bij stil kan staan, en dan niet om stil bij te staan maar natuurlijk invloed uit te kunnen oefenen, zodat je de verandering het meeste gewenste effect realiseert.

6 aspecten die elk weer kunnen worden onderverdeeld in sub-aspecten maakt uiteindelijk een lijstje van 13 aandachtspunten waarmee je jouw verandering, project, release, verbetering, wat dan ook, meer kan beheersen.

  • Uitkomsten
    • Resultaten, de objectieve producten van de verandering.
    • Richting, het subjectieve product van de verandering.
    • Verbeteringen, het waarom en hoe de resultaten bijdragen aan de richting.
  • Historie
    • Context, de uitgangssituatie in haar omgeving.
    • Aanleiding, de concrete reden dat in deze context deze keuze wordt gemaakt.
  • Actoren
    • Rollen, de taakverdeling binnen en tijdens het project.
    • Partijen, iedereen die betrokken is, die een belang heeft. Stake-holders.
  • Fasen
    • Stappen, opdeling van het project in beheersbare, logisch opeenvolgende brokken.
    • Inhoudelijke activiteiten, wat er concreet moet worden gedaan en gebouwd om een stap te realiseren.
  • Communicatie
    • Interactie, het proces van informeren van alle actoren.
    • Betekenisgeving, het sturen van het effect dat je wilt dat de communicatie heeft.
  • Sturing
    • Monitoring, het controleren en bijsturen van de planmatige stappen (management).
    • Begeleiding, pro-actief bijdragen aan de (sub)doelstellingen van partijen (leiderschap).