Schrijfoefening: de waterkoker

Thee, eindelijk thee. Thee geeft rust, thee geeft kracht, thee maakt me sterk om de dingen breder te zien, om er weer tegenaan te kunnen. Ik voel hoe het handvat kracht uitoefent om de waterkoker te laten kantelen in mijn hand, en ik hoor het klikken van de deksel en vervolgens het bruisende water dat de waterkoker vult. Het gaat als vanzelf, zo gewend ben ik er aan. Gewoon even vullen, klikken en klaar. En makkelijk, er kan veel in; genoeg om een ruime theepot ineens te zetten. Ik zet de waterkoker weer in zijn houder en als automatisch klik ik de knop om. Ik frons even als ik het bekende lampje mis, ik til even de koker op om hem te ontgrendelen, en plaats hem opnieuw om vervolgens opnieuw het knopje om te zetten. Kut, hij doet het niet merk ik. Ik kijk naar het stopcontact en zie dat de stekker er in zit, en probeer het nogmaals. Ik merk niet eens hoe ik ondertussen tegen mezelf begin te praten: “Kloteding, geef mij mijn rustmomentje”, “Niet nu”, “Altijd hetzelfde hier in huis”, “Kan er nu niets goed gaan”, en ongemerkt vormt mijn gevoel zich in overeenstemming met mijn dialoog. Frustratie, desillusie, irritatie, in de steek gelaten en alleen zijn de gevoelens die strijden om de boventoon, en waarvan ik denk dat het mijn echte gevoel is terwijl het eigenlijk mijn denken is dat deze gevoelens oproept.

Binnensmonds trekken mijn spieren zich samen om vloekwoorden uit te gaan spreken, maar ik hou me in en pak een pan om het water op het fornuis te koken. Stom gedoe, moet ik het weer zelf doen, mag ik dan niets verwachten. Hulpeloos en onbewust laat ik me ongemerkt door mijn stemmetje terug in mijn wereldje trekken waar het veilig is, en waar de boze buitenwereld mij niet kan zien, niet bij kan. Als het water kookt, giet ik de thee op, en neem namokkend een kop. Het geeft niet de rust waar ik op gehoopt had.

’s Middags ga ik op zoek naar een nieuwe waterkoker. Balend van de tegenslag, bekijk ik met kritische ogen het aanbod. Te klein, lelijk, te onhandig, gevaarlijk, te duur… Ik besef me nu pas terwijl ik me oriënteer hoe fijn mijn oude waterkoker eigenlijk was. Hoe ik gewend was aan zijn eenvoudige werking, hoe goed we samen een team vormden. Uiteindelijk, ik had er toch een nodig dacht ik, koos ik er maar eentje. Ik weet niet eens maar om welke reden ik nou die specifiek koos, het maakte me allemaal niet meer uit. Raar, hoe dat soort ontdekkingen pas boven komen als je het gewone kwijt bent en mist.

Moedeloos, en met tegenzin, plaatste ik de nieuwe waterkoker op het aanrecht. Daar moet ik het dan maar mee doen. Ik wil ruimte maken dus eerst de oude opruimen voordat ik de nieuwe waterkoker uitpak. Ik haal de stekker uit het stopcontact, en het licht gaat uit. Verbaasd kijk ik naar de stekker, en doe hem weer in het stopcontact waarop het licht weer aangaat. Langzaam dringt het tot me door dat ik niet goed heb gekeken. Ik had wel aan de stekker gedacht, maar ik had het te snel aangenomen dat de basis, de elektriciteit goed was. Ik verwissel de stekkers zodat de waterkoker weer spanning krijgt, en controleer de werking. Hij doet het nog gewoon, net als altijd. Alleen in mijn gezichtsveld, in mijn eigen wereldje deed de waterkoker het niet. Zoals zo veel zaken niet werken als je de basis niet op orde hebt. Gelukkig kwam ik er op tijd achter, anders zat ik nu met een waterkoker die niet bij me paste, een tweede keuze, in plaats van mijn eigen ondergewaardeerde waterkokertje. Vrijwel gedachteloos had ik ondertussen weer thee gezet, en door de basis weer op orde te hebben kwam de rust en de kracht weer vanzelf terug.